Edith Hooge
School en Omgeving: het beroep van leraar en de schoolorganisatie in de grote stad
Om zich te kunnen ontwikkelen, is het voor kinderen van belang dat zij worden gezien en uitgedaagd en dat hun wordt gevraagd hoe zij zich voelen en wat zij zouden willen, dat zij worden gecorrigeerd, verzorgd en geholpen of juist met rust worden gelaten. Waar, wanneer of door wie dat gebeurt, zijn daarbij instrumentele vragen. Het is voor kinderen niet interessant wie zich vanuit welke professionele discipline, organisatie of bekostigingsstroom met hen bezighoudt. Het gaat erom dát het gebeurt als het nodig is, en daarbij is het prettig en overzichtelijk als het niet te veel volwassenen zijn die zich professioneel met een kind bezighouden. De bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen zijn dan ook het meest effectief als die niet versnipperd en verkokerd plaatsvinden, maar in samenhang en afstemming.
Veel (internationaal) onderzoek wijst uit dat het voor kinderen gunstig is als school en thuis geen gescheiden werelden zijn, als er een verband bestaat tussen het leven op school en dat in de buurt of gemeenschap, en als school en andere (professionele) partijen en organisaties die zich op kinderen en jongeren richten elkaar weten te vinden. Scholen staan dus voor de opdracht om hun reguliere taken uitstekend te vervullen, in samenhang met het realiseren van een bredere maatschappelijke opdracht.
Dit is geen pleidooi voor een landelijke one size fits all-aanpak. De grenzen van de opdracht van de school zijn afhankelijk van de buurt en omgeving en van de leerlingen die de school bevolken. In het licht van de autonomievergroting die zich de afgelopen 25 jaar bij scholen heeft voltrokken zullen autonome scholen overwegend zelf, in overleg met ouders en hun omgeving, bepalen wat ze wel en niet tot hun taak rekenen. Welke opgave de school precies heeft, is dus in sterke mate afhankelijk van de situatie.
Dit lectoraat concentreert zich op de rol van het onderwijs bij het realiseren van de hierboven genoemde samenhang en afstemming. Daarvoor is het niet voldoende dat scholen hun onderwijstaak goed vervullen; een grootstedelijke context vraagt om méér. Wat dat méér precies inhoudt en hoe (leraren, managers en bestuurders in) scholen dat kunnen waarmaken, zijn de inhoudelijke vragen waarop dit lectoraat is gericht. Duidelijk is dat de scholen ‘hun’ opdracht niet alleen kunnen vervullen; zij hebben hierbij de inzet van andere(n) (organisaties) nodig. Daarbij zijn er terechte zorgen over de overvraging van het onderwijs. Waar liggen de grenzen van de capaciteit, professionaliteit en motivatie van de mensen werkzaam in het onderwijs? Kortom, hoe kunnen scholen in grote steden zich intern organiseren om extern goed te kunnen functioneren?
